Waarnemingen
Ter Hooge
Het landgoed Ter Hooge bevindt zich langs de Koudekerkseweg, vlakbij Middelburg. Het bestaat uit een kasteel, omgeven door een slotgracht, liggend in een parkachtig landschap wat vooral bestaat uit Essen en Eiken. Voor vogelaars is vooral het jaarlijks terugkerende Boomvalkenpaartje van belang, evenals de Blauwe Reiger-kolonie (sinds 1989). Incidenteel worden hier IJsvogel, Appelvink en overvliegende, dan wel ter plaatse verblijvende roofvogels waargenomen.
De toegang tot het gebied beperkt zich tot leden van het Zeeuwse Landschap.
Veerse Kreken
De Veerse Kreken zijn evenals de Westkapelse Kreek, de Nollekreek en de Rammekenskreek bij Ritthem een overblijfsel van stroomgeulen. Deze geulen werden uitgeschuurd door het water dat in- en uitstroomde door de dijkgaten, ontstaan door bombardementen door de geallieerden in 1944 met als doel Walcheren onder water te zetten. Later werd er om en bij deze diepe geulen veelal bos aangeplant en kregen de kreken een recreatieve functie. De Veerse Kreken trekken zodoende zowel bosvogels (Wielewaal) als rietvogels (Dodaars, Kleine karekiet) en vogels van open water. In het winterhalfjaar rust op de grote kreek (en/of in de Vest van Veere) een grote groep Kuifeenden en Tafeleenden, die ’s nachts op het Veerse Meer fourageert. Hiertussen wordt soms wel eens wat anders waargenomen, zoals meerdere Toppers, een kruising KuifxTafeleend, een Krooneend of de eerste Kleine topper voor Nederland. In de meest noordelijk gelegen kreek overwintert een groep Kwakken, vermoedelijk afkomstig uit de kolonie (nazaten van uitgezette vogels) in vogelpark het Zwin, net over de grens in België.
Waargenomen bijzondere soorten zijn Kleine topper en Cetti’s zanger, maar ook kleine zoogdieren zoals bunzingen en steenmarters worden er gezien. de laatste wordt vaak als ongewenst beschouwd als deze zich rond en in woningen bevindt. Zie marters verjagen
Oranjezon
Oranjezon is een relatief jong duingebied op Noord-Walcheren met een totale lengte van vijf kilometer en een maximale breedte van een kilometer. Het bestaat uit 80 ha. Loof- en naaldbos en 300 ha. Andere begroeiingselementen (struwelen en duingrasland). Het geheel is doorsneden door twee kanaaltjes. In het gebied is sprake van extensieve beweiding.
De begroeiing bestaat o.a. uit duinroos, vlier, hondsroos, egelantier, braam, wilde liguster, ruwe berk, grauwe abeel en zomereik. Verder is er een in de jaren dertig aangelegd naaldbos van oostenrijkse en corsicaanse den.
In het westelijk deel bevind zich een oude eendenkooi. Het gebied is als broedgebied van groot belang voor zangvogels als Nachtegaal, Grasmus, Winterkoning, Fitis en Kneu. Van schaarsere soorten zoals Sprinkhaanzanger, Goudvink, Boompieper, Ransuil, Zwarte Mees en Goudhaantje broedt 40-100% van de walcherse populatie in Oranjezon.
Verder is het gebied belangrijk als foerageergebied voor lijsters, vinken en andere zangvogels en bevinden zich hier belangrijke slaapplaatsen van met name Houtduif (circa 2000 vogels).
Oude Veerseweg en Zanddijk
Dit akker/ weidegebied, gelegen op de poelgronden tussen het Kanaal door Walcheren, Veere en Middelburg, wordt gedomineerd door grasland en is als broedgebied van belang voor onder andere Veldleeuwerik, Graspieper, Kluut en Scholekster.
Als foerageergebied heeft het grote waarde voor steltlopers (Wulp, Kievit, Goudplevier) en ganzen (jaarlijks 500-2000 Kolganzen en in mindere mate Brand- en Rotgans). In strenge winters verblijven hier ook grote aantallen Smienten.
De laatste jaren zijn diverse zeldzame soorten waargenomen waaronder Kraanvogel (1993), Dwerggans (1997, 1998), Zwarte Rotgans (1993), Roodhalsgans (2000), Buidelmees (1999) en Koereiger (1998, 1999).
Rammekenshoek
Dit krekengebied, ontstaan na de inundaties in 1944 en thans als natuurreservaat in beheer bij staatsbosbeheer en de laatste jaren grotendeels toegankelijk voor publiek. Met uitzondering van een open grasgebied grenzend aan de grootste kreek is het gebied omgeven door aangeplant loofbos. Het gebied is van belang als broed- en rustgebied voor veel vogelsoorten, waaronder eendachtigen, Blauwe Reiger, Dodaars, Wulp, Kleine Karekiet, Groene Specht etc.
Sloehaven
In de Sloehaven bevind zich het enige overgebleven Schor van Walcheren. Het betreft hier een restant van het eens zo belangrijke Slik- en schorrengebied “Het Zuid-Sloe”.
Vanaf 1960 is dit gebied geleidelijk aan opgespoten en in gebruik genomen als industrie- en havengebied. Het schor in de Sloehaven is zeer voedselrijk en deels begroeid met o.a. zeegras, Lamsoor en Zeekraal. Met name in de trektijd en in de wintermaanden is het schor als voedselgebied van belang voor steltlopers als Scholekster, tureluur, Bonte Strandloper, Zilverplevier en Bontbekplevier. Daarnaast bevinden zich hier belangrijke slaapplaatsen van Wulp en Kokmeeuw. In de haven overwinteren Futen en Aalscholvers.
De laatste decennia zijn hier regelmatig zeldzame soorten waargenomen waaronder Kuifaalscholvers (vrijwel jaarlijks), IJsduiker, Kleine Burgemeester (1983-84) en Forsters Stern (1986). Het gebied is goed te overzien vanaf het westelijk havenhoofd en vanaf de openbare weg.
Spuikom Ritthem
Deze spuiboezem en de daarnaast gelegen waterzuiveringsinstallatie ligt tussen Vlissingen en de Sloehaven. De vrij ondiepe spuikom heeft zich na een uitgebreide opknapbeurt eind jaren tachtig ontwikkeld tot een belangrijk foerageergebied voor eenden (o.a. Wilde Eend, Wintertaling, Kuifeend, Tafeleend), Meerkoet, en steltlopers (o.a. Oeverloper, Witgatje, Kievit). Verder zijn hier zeldzaamheden als Kleine Burgemeester (1984) en Kleine Kokmeeuw (1990) waargenomen.
Veerse Meer
Het Veerse Meer is ontstaan na de afsluiting van de Zandkreek (1960) en het Veerse Gat (1961). Het circa 2000 ha. Grote bekken heeft zich geleidelijk aan ontwikkeld tot een brakwatermeer. In het Veerse meer liggen een aantal eilanden en platen.
Twee relatief kleine gebieden (beide buiten de Walcherse gebiedsgrenzen) zijn ingericht als natuurgebied (Goudplaat en de Middelplaten). Het waterbeheer is afgestemd op de belangen van de landbouw en de recreatie. In de zomer wordt een peil gehandhaafd op NAP, terwijl het peil in de winter (eind oktober tot maart) verlaagd wordt tot –0,70 m NAP.
Het (westelijk deel van) het Veerse Meer is in het winterhalfjaar als foerageergebied van groot belang voor watervogels, met name Fuut, Geoorde Fuut, Middelste zaagbek, Brilduiker, Kuifeend, Meerkoet, Aalscholver en Knobbelzwaan.
Regelmatig worden hier schaarsere soorten als Kuifduiker, IJsduiker, Kleine Alk, IJsvogel, Visarend en Zeearend opgemerkt.
Zandvoortweggebied
Het Zandvoortweggebied, ook wel Sint Laurens weihoek genoemd, behoort samen met het Oude Veerseweggebied, het Schellach en het Koekoeksweggebied tussen Meliskerke en Aagtekerke tot de komgronden van Walcheren. Deze zijn ontstaan door inklinking van de oude veenlagen en zijn zodoende lager komen te liggen dan de kreekruggen met een zandondergrond. Het Zandvoortweggebied is een klein weidevogelgebied met Kieviten, 5-10 paar Grutto en 3-7 paar Tureluur. Ook broeden hier Patrijs, Gele kwikstaart en Veldleeuwerik. Tijdens de trek komen hier Tapuiten, Paapjes en Kiekendieven voor. (Bijna) Jaarlijks worden Morinelplevier en Kwartel waargenomen. In herfst en winter fourageren en rusten hier Wulpen (tot 250) en Goudplevieren (tot 6000). Vooral in nattere winters kunnen allerlei andere steltlopers waargenomen worden.
Waargenomen bijzondere soorten zijn Kleine trap, Kraanvogel, Aziatische goudplevier, Amerikaanse goudplevier, Rose spreeuw, Grote geelpootruiter, Waterrietzanger, Grote pieper, Visarend, Casarca.
Zuidduinen Walcheren
Tussen Vlissingen en Westkapelle is sprake van een enkele smalle duinenrij, welke alleen bij Valkenisse wat breder is. De binnenduinrand is begroeid met o.a. vlier, duindoorn, meidoorn en braam, de buitenzijde vrijwel uitsluitend met helm en biestarwe.
Bij Valkenisse bevinden zich enkele kleine dennenpercelen, waar zich in het recente verleden regelmatig roestplaatsen van Ransuilen bevonden (maximaal 30 vogels). Als broedgebied is de duinstook van belang voor veel kleine zangvogels als Heggemus, Winterkoning, Kneu, Grasmus, Braamsluiper, Fitis en Nachtegaal.
In de doortrekperioden en de wintermaanden is het gebied een belangrijke foerageer- en pleisterplaats voor met name lijsterachtigen, vinkachtigen, spreeuwen, maar ook roofvogels (Sperwer) en Houtsnip.